Regering en politiek

Spanje Info

Spanje is een constitutionele monarchie, met een koning als staatshoofd, Koning Juan Carlos I.

De uitvoerende macht bestaat uit de verschillende ministers onder leiding van de premier of president van de regering. Sinds 2004 is de socialistische José Luís Rodríguez Zapatero de premier van Spanje.

De wetgevende macht bestaat uit twee kamers, de zogenaamde “Las Cortes Generales”. De eerste kamer (ES: Senado) bestaat uit 259 zetels en in de tweede kamer (ES: Congreso de los Diputados) zetelen 350 vertegenwoordigers.

De rechterlijke macht bestaat uit de verschillende rechtbanken en tribunalen, met verschillende rechters die de autoriteit hebben om in naam van de Koning de justitie in het land te handhaven.

Bestuurlijke indeling

Spanje is bestuurlijk gezien een federatie waarin de macht zeer gedecentraliseerd wordt uitgevoerd, het is het meest gedecentraliseerde land van de Europese Unie. Het land bestaat uit 17 autonome regio’s (Spaans: Comunidades Autónomas), waarbij de mate van autonomie per regio verschilt. Bijna al deze regio’s zijn weer onderverdeeld in verschillende provincies. De provincies zijn onderverdeeld in comarca’s.

De verschillende maten van autonomie zijn te verklaren uit de grotere behoeft aan autonomie in sommige regio’s, namelijk Catalonië, Baskenland en Galicië, omdat deze drie elk een sterke eigen identiteit en taal hebben. Zij kregen hierdoor in een eerder stadium meer eigen rechten toegewezen dan de overige regio’s. Deze drie regio’s vallen dus onder het zogenaamde “speciale regime”, waarbij de taal een officiële status heeft. De autonomie kan onder meer van toepassing zijn op het lokale zorgstelsel, belastingstelsel, onderwijs en veiligheid. Catalonië heeft bijvoorbeeld haar eigen lokale regering (Generalitat) en ook haar eigen politieorgaan (Mossos d’Esquadra).

Autonome Regio’s

Spanje bestaat uit 17 autonome regio’s en 2 autonome steden, Ceuta en Melilla te weten:

  • Andalusië
  • Aragón
  • Asturië
  • Balearen
  • Baskenland
  • Canarische Eilanden
  • Cantabrië
  • Catalonië
  • Extremadura
  • Galicië
  • Castilië-La Mancha
  • Castilië en León
  • La Rioja
  • Madrid
  • Murcia
  • Navarra
  • Valencia

Demografie

Aan het begin van de 20e eeuw telde Spanje ongeveer 20 miljoen inwoners; dat aantal heeft zich inmiddels ruim verdubbeld tot 46.063.511 (2008). Het land is naar West-Europese maatstaven nog altijd dun bevolkt (bevolkingsdichtheid: 85,8/km²), en de bevolking is zeer ongelijkmatig verdeeld. De dichtstbevolkte gebieden vindt men aan de verschillende kusten en in de regio van Madrid.

Immigratie

Spanje ontvangt momenteel het grootste aantal immigranten van Europa. Maar liefst 38,6% van de totale immigratie richting de Europese Unie in 2005 vestigde zich in Spanje. Het merendeel van de immigranten is afkomstig uit Zuid-Amerika, Afrika, Oost-Europa en ook uit andere West-Europese landen. Met sommige van deze nieuwe bevolkingsgroepen zijn problemen ontstaan wat betreft integratie, maar desondanks heeft het hoge aantal immigranten wel gezorgd voor een belangrijk deel van de economische groei van het land.

Steden en agglomeraties

De volgende lijst bevat de inwonertallen van de grootste steden en agglomeraties in Spanje, gemeten op 1 januari 2005. Voorsteden van Barcelona of Madrid, zoals Terrassa, Móstoles, Alcalá de Henares etc. zijn niét in deze lijst opgenomen.

  1. Madrid 
  2. Barcelona 
  3. Valencia 
  4. Sevilla 
  5. Zaragoza 
  6. Málaga 
  7. Murcia
  8. Las Palmas 
  9. Palma de Mallorca 
  10. Bilbao 
  11. Córdoba 
  12. Valladolid 
  13. Alicante
  14. Vigo 
  15. Gijón (met Oviedo) 

 

Talen

Om de taal die in het Nederlands Spaans heet te benoemen, kan men twee woorden gebruiken: “español” (Spaans) of “castellano” (Castiliaans, uit Castilië). Beide termen worden in Spanje door elkaar gebruikt, afhankelijk van de regio (in Andalusië zegt men vooral “español”, in Catalonië vrijwel nooit), maar betekenen hetzelfde.

Het meest pure Spaans wordt volgens vele Spanjaarden gesproken in en rondom Valladolid.

De verschillende talen die in Spanje worden gesproken zorgen regelmatig voor grote verwarring in het buitenland, waar men het vaak heeft over dialecten. Het gaat echter om in totaal vijf officiële talen (Spaans, Catalaans, Baskisch, Galicisch en Aranees) en twee niet-officiële talen (Asturisch en Aragonees). Het Castellano is de enige officiële nationale taal van Spanje. De overige vier zijn officiële regionale talen, die in sommige gebieden ook de dominante taal zijn.

Artikel III van de Spaanse Grondwet uit 1978 luidt als volgt:

El castellano es la lengua española oficial del Estado. (…) Las demás lenguas españolas serán también oficiales en las respectivas Comunidades Autónomas…

Het Castiliaans is de officiële taal van de Spaanse Staat. (…) De andere Spaanse talen zijn ook officieel in de respectievelijke Autonome Gemeenschappen…

De vier officiële regionale talen van Spanje zijn:

  1. Catalaans (ES:Catalán CA:Català): wordt gesproken door iets meer dan 18% van de totale bevolking, oftewel 7,5 miljoen inwoners in Catalonië, de Balearen en de Comunidad Valenciana. Strikt taalkundig gezien is het Catalaans wat in Valencia wordt gesproken geen Catalaans maar Valenciaans (SP: Valenciano CA: Valencià). Tegenwoordig zijn er in de praktijk echter vrijwel geen verschillen meer te onderscheiden, en wordt de taal als Catalaans erkend.
  2. Baskisch (ES:Vasco BA:Euskara): wordt gesproken door iets meer dan 1 miljoen mensen in Baskenland en Navarra, 2,3% van de totale Spaanse bevolking. De Baskische taal vertoont geen enkele overeenkomst met welke andere taal dan ook.
  3. Galicisch (ES:Gallego GA:Galego): wordt gesproken door iets meer dan 2,5 miljoen mensen, 5,7% van de totale Spaanse bevolking in Galicië, en delen van León en Asturië. De taal lijkt meer op Portugees dan Spaans.
  4. Aranees: wordt gesproken door slechts 4000 mensen in de Vallei van Aran in Catalonië. Taalkundig gezien is Aranees een dialect van het Franse Occitaans.

Het Spaans, Catalaans, Galicisch en Aranees zijn allemaal Romaanse talen, en stammen af van het Latijn, binnen elk van deze talen bestaan echter ook verschillende dialecten. Het Baskisch is een geval apart, er zijn namelijk geen overeenkomsten aan te wijzen met welke andere taal dan ook ter wereld. De twee niet-officiële regionale talen zijn:

  1. Asturisch (ES:Asturiano AS:Asturianu) wordt gesproken door ongeveer 100.000 mensen en wordt in Asturië wettelijk beschermd. Het is geen dialect van het Spaans, maar een aparte taal, en wordt in verschillende gebieden gesproken: Asturië, León, Zamora, Salamanca (daar heet de taal “llionés), Extremadura (daar heet de taal “extremeñu”) en Cantabrië (daar heet de taal “montañés”).
  2. Aragonees (ES:Aragonés AR:Aragonès): wordt gesproken door slechts 10.000 mensen in de provincie Huesca in Aragón. Ongeveer 40.000 mensen kennen de taal of hebben het geleerd (“neo-fabláns”), meestal in Zaragoza en Huesca. In de rest van Aragon, zuiden van Navarra en sommige gebieden in Valencia en Castilla-La Mancha, wordt het vaak met het Spaans vermengd. Het Aragonees stamt af van het Latijn.

De vier officiële regionale talen van Spanje spelen een relatief belangrijke rol, zowel op regionaal als op nationaal niveau. Ter vergelijking; in Spanje spreekt 24% van de bevolking één van de vier officiële regionale talen, dat komt neer op bijna 11 miljoen inwoners. In Nederland wordt de enige officiële regionale taal, het Fries door 400.000 inwoners, oftewel slechts 2,4% van de bevolking gesproken.

Spanje kent buiten de genoemde talen ook nog talloze dialecten en streektalen. Het beste voorbeeld daarvan is het Spaans dat wordt gesproken in Andalusië door ongeveer 7 miljoen mensen, met grote verschillen in vocabulaire en uitspraak. Het zogenaamde “Andaluz” (Andalusisch) is voor vele andere Spanjaarden moeilijk te verstaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.